Het hoge noorden
De laatste pleisterplaats

door Fred Berga

Nee, we gaan niet weer naar een whiskystokerij. Ook Loch Ness laten we nu eens links liggen. Zelfs Ullapool, aan de Schotse westkust, zouden we het liefst mijden. Maar dat is gezien het gebrek aan wegen niet te doen. We toeren langs de vier windstreken van de Highlands en kiezen Inverness, het laatste stadje op weg naar het noorden dat die kwalificatie verdient, als uitvalsbasis.

De westkust is ronduit Scandinavisch, vol met fjorden, (stuw)meren, kale bergen en met ontzettend veel mensloosheid.
(Bron: GPD)
Een van de beste uitvindingen sinds die van de veerboot is de nachtvariant, zeker als je naar het Brits koninkrijk wilt. Je gaat tegen de avond aan boord, geniet even van het uitvaren, neemt een drankje in de bar en eet een hapje in het restaurant, waarna opnieuw iets vloeibaars (bij het 'on board'-entertainment bijvoorbeeld) kan volgen, ofwel een tocht naar kooi. 's Morgens kom je zo fris als een hoentje in Albion aan en kun je na het ontbijt zo van boord. Wij namen de ferry van DFDS, die tussen IJmuiden en Newcastle vaart, maar ook vanuit Rotterdam (Europoort) en Hoek van Holland zijn overtochten mogelijk, evenals vanuit België en Noord-Frankrijk.

Misverstand
Om maar meteen een groot en voor de Schotten duur misverstand recht te zetten: het land is niet of nauwelijks besmet (geweest) met mond- en klauwzeer. Weliswaar zijn er onder de lijn Glasgow-Edinburgh - de Schotse randstad, die van west naar oost over het land ligt - enkele binnenwegen uit voorzorg afgezet (geweest), maar dat is alles. Boven die streep kan de automobilist - en de fietser en de wandelaar - gaan en staan waar hij wil. Toch laten veel buitenlanders het land uit angst voor aanraking met die besmetting links liggen. Het nadeel voor de autochtonen is dat ze veel inkomsten mislopen, het voordeel voor de toerist die wel gaat, is dat het op Schotlands wegen en in zijn natuurgebieden nog stiller is dan anders.

Inverness is de 'hoofdstad' van de Highlands. Ze ligt op de plek waar de rivier de Ness (die door het 'monstermeer' stroomt) de Noordzee bereikt, aan het eind van het Caledionian Canal met z'n vele series sluisjes.
Meer informatie: Brits Verkeersbureau, Stadhouderskade 2, Amsterdam. Tel. 020-689.0002. Internet: VisitBritain.com/nl en VisitScotland.com.

Het is vooral voor de stedeling of voor wie niet van te dorpse agglomeraties houdt een prettige plek om te vertoeven _ zonder een wereldstad te zijn. Winkelen, uit eten of uit drinken gaan, flaneren langs de rivier of over de (voetgangers)bruggen, een museum, kasteel of fort bezoeken: het kan er allemaal, en op ontspannen wijze. Bovendien ligt de stad centraal: vanuit Inverness kun je in alle richtingen de Highlands in.

Single track
Naar het zuidoosten lopen maar weinig wegen, maar de wegen die er zijn, mogen er ook zijn. Afgewisseld met wat omwegen over op de kaart witte weggetjes - de 'single track roads', eenbaanswegen met passeerplaatsen - volgen we de A9 richting Perth. Bij Aviemore slaan we even linksaf voor een bezoek aan Glen More Forest Park, een van de vele natuurparken die het land rijk is. Terwijl de sneeuw nog op de top van de Cairn Gorm ligt, steken we voorzichtig onze blote voeten in het steenkoude maar kristalheldere water. Want ondanks het feit dat de zon al dagen uitbundig schijnt en het in de dalen terrasjesweer is, is het op deze hoogvlakte nog aan de koele kant.

Razendsnel - er is nauwelijks verkeer - bereiken we Pitlochry, waar we voor het eerst de Grote Verlatenheid in duiken. Prachtige slingerweggetjes voeren ons naar een van Schotlands - jawel - skigebieden. De naam Spittal of Glenshee doet de verfente skiër al snel begrijpen waar het hier om draait: om de lange latten. De stoeltjesliften staan, evenals buiten het seizoen in de Alpen, wat wezenloos werkloos te zijn; wat er nog aan sneeuw over is, is net genoeg voor een sneeuwballengevecht. Voor wie van lekker 'gassen' houdt, is dit trouwens een prachtig stratencircuit; namen als Devil's Elbow doen terecht het mooiste vermoeden. Via Balmoral Castle, het geÝsoleerde buiten van de Britse koninklijke familie, rijden we weer naar het noorden, over wegen met stijgingspercentages die geregeld in de twintig zitten. Zoals overal hier is het echter wel goed oppassen geblazen voor de loslopende schapen.

We zijn op weg naar Kildrummy Castle - of wat daar van over is. Het is een van Schotlands grootste kastelen, en zelfs in de vervallen staat waarin het nu verkeert, is die vergane glorie goed te herkennen. In het midden van de dertiende eeuw, schat men, is met de bouw van de fortificatie begonnen, en gezien de ligging aan een ravijn moet het bijna ondoenlijk zijn geweest het slot in te nemen. Ten noorden van Inverness loopt de A9, via het Black Isle, door als een aardige kustweg. De natuur is hier en stuk overweldigend; het beeld doet een beetje aan het Deense vasteland denken. We rijden richting Tain, een kustplaatsje zo'n vijftig kilometer verderop. Nu stelt dat niet zo veel meer voor, maar in vroeger tijden was het een populair pelgrimsoord; het schrijn van Saint Duthac wordt er sinds het midden van de elfde eeuw vereerd.

Tain Through Time heet de wandeling die de bezoeker door het stadje kan maken, inclusief een bezoek aan de kapel (met licht- en geluidseffecten), de kerk met mooie gebrandschilderde vensters en veel ingemetselde grafstenen (een van Schotlands best bewaarde middeleeuwse bouwsels) en het piepkleine, wat amateuristisch aandoende 'Heimatmuseum'. Aan de uitleg van sommige sprekers, zowel live als op band, heeft de gemiddelde niet-'native speaker' helaas niet zo veel: het zijn Schotten die hun best doen Engels te praten, maar dat neemt niet weg dat Tain best de moeite waard is. De sfeer is er typisch Brits, en in combinatie met de groeiende overname van aangename continentale gewoontes als het ruimhartig neerzetten van terrassen is het er heerlijk slenteren en van een hapje of drankje genieten.

Via Bonar Bridge duiken we de 'groene' wegen weer op, lekker door de vloeiende bochten slingerend. Even na Fearn Lodge, bijna boven op de heuvel, biedt de parkeerplaats een machtig uitzicht over de baai. Het spectaculairst is ongetwijfeld de westkust. Die is ronduit Scandinavisch, vol met fjorden, (stuw)meren, kale bergen en met ontzettend veel mensloosheid. Met de auto moet je wel op tegenliggers letten. Bovendien kun je, gezien de wegbreedte en het loslopende vee, niet al te hard rijden, en nodigen veel plaatsen uit tot een stop: gewoon om even van het imposante uitzicht te genieten, maar ook om een wandeling te maken.

Ook is er een hele colonne lage sportwagentjes onderweg, in pogingen de route zo snel mogelijk af te leggen. We gaan dan ook maar even aan de kant en laten ze ronkend passeren. Maar zodra het geronk is weggestorven, is het geijkte Schotse beeld weer hersteld: dat van rust, groen en water.